Kritiek op de kerk in een kroniek uit Gent (1566)

Het volk zag, dat vele kloosters en abten het beste en het meeste hadden van de rijkdom van de christenheid, en dat ze vrij van tienden waren, en daarnaast nog tienden inzamelden van de grond van de overige mensen, arm en rijk, en nog andere lasten. Velen meenden daarom dat zij uitbuiters waren, en dat zij deze goederen ten onrechte in bezit kregen, wanneer zij niet de diensten volbrachten, die zij in ruil voor deze tienden behoorden te volbrengen, of niet de tienden ten gebruike gaven aan degenen, die daar recht op hadden. Hierna zullen wij er nog over spreken, hoe de veldpredikanten op deze en andere misbruiken gewezen hebben. ook werden in sommige sterfhuizen briefjes en oorkonden gevonden, waarop vermeld stond hoe de gestorven personen hun bezit hadden opgegeven en het weggaven aan de kloosters. Zo werden hun erfgenamen onterfd, wanneer voor een kwartier tijdens de dagmis of de hoogmis of voor andere ceremonies zeer grote en onredelijke sommen gelds, zoals 10 of 20 of 24 ponden, werden gevraagd. Bovendien werden hierdoor zware lasten gelegd op huizen, moestuinen en gronden, zodat de erfgenamen nooit meer uit de schuld konden geraken.

terug