Hierop trok Don Fadrique [...] met de rest van zijn leger naar Naarden, dat hij overmeesterde en liet plunderen. De stad werd geplunderd omdat de rebelse ingezetenen zich niet hadden willen overgeven en weerspannig waren, hoewel Naarden een heel klein en bijkans open stadje is. Wel had men hen gewaarschuwd en gezegd dat als zij bij hun verkeerd besluit bleven, zij daarvan de gevolgen zouden moeten dragen zo spoedig het geschut zou zijn gekomen. Het hielp echter niet en daarom ontbood men de artillerie. Toen de bewoners van Naarden deze zagen, zonden zij dadelijk afgezanten om te onderhandelen [...] Terwijl zij echter aan het onderhandelen waren, braken de inwoners van Naarden het gegeven woord van onschendbaarheid der gezanten en schoten zij met musketten op hen. Hierdoor werden de Spaanse soldaten tot het uiterste gebracht en zij namen het plaatsje stormenderhand in. Zij doodden allen die zij gewapend in de straten aantroffen, en legden daarna de hele stad in de as, behalve de kerk en een nonnenklooster; deze bleven voor het vuur gespaard. Er is alle reden om aan te nemen dat deze tuchtiging onder goddelijke toelating is geschied, als straf, omdat men in Naarden het eerst in Holland tot de ketterij was overgegaan, en van hieruit heeft deze zich onder de meeste steden van die provincie verspreid. Volgens wettig krijgsgebruik verdiende de stad Naarden geen lichtere straf dan zij gekregen heeft, ook al had zij het gegeven woord niet gebroken. De weigering 's konings leger toe te laten, en het wachten tot de batterijen werden opgesteld waren al redenen genoeg. Om zulk een feit zijn bij herhaling voorbeeldige straffen opgelegd, zoals men lezen kan in de geschiedenissen der oorlogen zelfs van katholieke koningen onderling, waarin verhaald wordt van kleine steden die zich niet wilden overgeven en daarmede wachtten tot het geschut was ontboden, waardoor zij zich zulk een straf op de hals haalden.