Over de betekenis van de graanhandel met de Oostzee

Over het algemeen was de aanvoer van Oostzeegraan naar de Nederlanden, vergeleken bij het totale verbruik, niet hoog. Wij ramen het jaarlijkse verbruik in die tijd, toen het menselijke voedsel zo goed als de menselijke drank (bier) hoofdzakelijk uit graan werd gewonnen, per hoofd op 200 à 250 kg. Drie millioen mensen verbruikten dus per jaar 600 à 750.000 ton graan. Nu vervoerde de vloot der Nederlanden in de jaren zestig in doorsnee rond 80.000 ton graan per jaar door de Sond - en daarvan ging een belangrijk quantum (hoeveel, is niet vast te stellen) naar de landen rondom de Middellandse Zee. Ook van de 45.000 ton, die Amsterdam ... placht te importeren was ongetwijfeld een gedeelte voor de doorvoer bestemd. Aan het totale Nederlandse verbruik van 600 à 750.000 ton hebben de Oostzeelanden dus op zijn hoogst tien procent bijgedragen.

Maar het Oostzeegraan dekte het topverbruik; van het binnenkomen of uitblijven er van hing het af, of er overvloed of gebrek was en daarom werd de totale prijs er ... door bepaald. Ziedaar het beslissende, tot nu toe echter zo goed als steeds verwaarloosde punt. Als het Oostzeegraan tijdelijk uitbleef, vloog de marktprijs te Amsterdam uiterst snel naar boven. Zo had in het jaar 1565 alleen al de aankondiging van de sluiting van de Sond, zonder dat deze dus nog een feit was geworden, ten gevolge dat de prijs van een last rogge van 30 tot 50 gulden omhoog schoot. Zodoende werd het Oostzeegraan een voortreffelijk speculatie-object, en daarin ligt de ware reden van de talrijke hongersnoden, althans van hun hevigheid en hun lange duur.

Uit: Kuttner, E., Het hongerjaar 1566. 1949, 1979, p.54

terug