Mevrouw,
Men weet voldoende, dat in de gehele Christenheid steeds zeer bekend is geweest, zoals
zij het ook nu nog is, de grote trouw van de volkeren van deze Nederlanden tegenover hun
heren en natuurlijke vorsten, waarbij steeds de adel is vooropgegaan als één die nooit
heeft gespaard noch lijf noch goed voor het behoud en de groei en de grootheid hiervan.
[...]
Wij weten hoe de toestand in het land is. Daarom willen
wij ons liever enige moeite getroosten, dan voor Uwe Hoogheid iets verzwijgen, dat later Zijne Majesteit de koning zou kunnen schaden en de
orde en rust in zijn landen verstoren.[...]
Wij twijfelen er niet aan, Mevrouw, dat alles wat Zijne Majesteit bevolen heeft over de
inquisitie en strenge naleving van de plakkaten
bedoeld is om voort te zetten wat wijlen Keizer Karel reeds
met goede bedoelingen bepaald had. De ene tijd is echter de andere niet, en iedere tijd
vraagt om eigen maatregelen. De genoemde plakkaten hebben, hoewel ze niet eens in alle
gestrengheid werden toegepast, nu al enige jaren tot moeilijkheden aanleiding gegeven.
Wij vrezen daarom, dat door het laatste besluit van Zijne Majesteit, waarbij hij
nadrukkelijk beveelt, dat de inquisitie haar taak moet vervullen en de plakkaten in alle
strengheid uitgevoerd moeten worden, de moeilijkheden zullen toenemen. Er zou wel eens een
algemene opstand kunnen uitbreken, die tot een ineenstorting van alle landen kan leiden.
De houding van het volk is reeds veranderd.[...]
Om deze redenen smeken wij U nederig om in het belang van het land zo snel mogelijk een
bekwaam persoon naar Zijne Majesteit af te vaardigen. Hij moet de koning van de toestand
op de hoogte brengen en uit onze naam verzoeken maatregelen te nemen [...]
De plakkaten zijn de bron van alle moeilijkheden, wij vragen daarom deze op te heffen;
niet alleen om de ineenstorting van deze landen te voorkomen, maar ook omdat het billijk
is. Tevens verzoeken wij Zijne Majesteit zeer nederig andere voorschriften te geven
volgens advies en met instemming van de Staten-Generaal. [..]
Wij smeken Hare Hoogheid tevens, dat - terwijl Zijne Majesteit ons verzoek zal aanhoren en
er over zal beslissen volgens zijn goed en rechtvaardig inzicht - Zij (de landvoogdes)
ondertussen tegen het genoemde gevaar maatregelen neemt en de inquisitie en de uitvoering
van de plakkaten opschort, tot dat Zijne Majesteit er anders over heeft beslist. Alzo zal
zij goed doen.