(...) Maar toch zien wij juist in de Nederlanden de hogere adel vlak voor de opstand een wanhopige strijd voeren tegen de plannen van Philips II om de feitelijke regeringsmacht aan een college van beroepsambtenaren in handen te geven en het bewind der edelen tot een zuivere formaliteit te degraderen, Want dat is namelijk de diepere zin van de strijd tussen kardinaal Granvelle enerzijds en Oranje en Egmont anderzijds. Wanneer de hogere adel zich onder het driemanschap van Oranje, Egmont en Hoorne formeel tot een 'Ligue' tegen de kardinaal verenigt, dan is de betekenis daarvan in laatste instantie de strijd tegen de 'lange rokken', zoals de gestudeerde beroepsambtenaren door de Edelen worden genoemd en als wier krachtigste exponent de kardinaal zelf gold. Vandaar dan ook, dat ook wanneer Granvelle teruggeroepen is, de strijd allerminst ophoudt, doch vrolijk tegen de 'kardinalisten' wordt voortgezet. ...
Geen wonder dat de woede der Edelen grenzenloos toenam, als zo'n beroepsambtenaar zelfs
boven hen werd gesteld, zoals dat met Granvelle het geval was: in hem hebben zij niet eens
zo zeer de vreemdeling of de reactionnaire clericaal, als wel de parvenu gehaat, die hun
boven het hoofd was gegroeid:
Zijn purperen hoed, zijn scharlaken mantel schroeiden hen (de Edelen) erger dan een vlam.
Want door die stralende tooi, die aan de koninklijke majesteit herinnerde, werden reeds
van ver de kentekenen der ridders van het Gulden Vlies overschaduwd.
Uit: Kuttner, E., Het hongerjaar 1566. 1949, 1979, p.67-68