De laatste Witten verlaten Odessa

6 november 1920

Konstantin Paustovski

Tussen 1917 en 1920 woedde er in Rusland een hevige strijd tussen de bolsjewieken en de troepen van het oude regime, de Witten. Een van de laatste bolwerken van de Witten was de havenstad Odessa, aan de Zwarte Zee, totdat ook daar de sovjets voor de poort stonden. Duizenden vluchtelingen stroomden naar de laatste stoomboten die, vies en afgebladderd, in de haven lagen te wachten.

Men moest in die tijd zijn beslissingen snel nemen. Een ogenblik van aarzeling kon het hele leven vernietigen of redden.

Jasja bleef en was dolgelukkig dat hij nu niets meer hoefde te bedenken, niet meer hoefde te wikken en te wegen. Hij zette thee, we dronken hem haastig op en gingen toen naar het Alexanderpark. Daar lag een antiek gewelf boven op de steile kusthelling, van waaruit we een goed uitzicht hadden op de hele haven. Alles wet zich daar afspeelde konden we zien.

Jarenlang heb ik de kwellende verbeelding niet van me kunnen afzetten dat ik deze homerische vlucht die zich op dat ogenblik voor onze ogen afspeelde, al eens eerder had gezien, en wel op een schilderij van een meedogenloos kunstenaar. Deze monden die vertrokken waren van hulpgeroep, en deze ogen die uit hun kassen puilden; deze gezichten die groen zagen van afschuw en die diepe groeven vertoonden als tekens van de naderende dood; deze blinde angst, waarin de mensen slechts een enkel ding zagen: de zwaaiende loopplank van het stoomschip; de leuningen van deze planken, reeds gezwicht onder de stormloop van menselijke lichamen; de geweerkolven van de soldaten b oven hun hoofden; kinderen die door hun moeders met uitgestrekte armen boven de waanzinnige horde werden getild; hun wanhopig gehuil; een vrouw die onder de voet werd gelopen en die kermend over de stenen rolde...

De mensen stortten elkaar in het verderf en accepteerden zelfs niet dat diegenen zich konden redden die zich al hadden omhoog gehesen tot aan de loopplank en die de leuning al hadden beetgepakt. Meteen klampten zich vele handen vast aan degene die zo gelukkig was, en ze lieten hem niet meer los. Hij drong verder naar voren, sleepte andere vluchtelingen op de loopplank achter zich aan, werd teruggestoten, viel, stortte samen met hen in zee en verdronk omdat hij niet de kracht bezat zich te bevrijden van zijn huiveringwekkende, levende last. Alle toegangswegen tot de haven waren verstopt. Het leek wel of de omheiningen en de huizen zouden bezwijken onder de stormloop van de mensen, alsof ook zij spoedig zouden meegeven en instorten. Voor velen zou dat misschien de redding hebben betekend, maar de huizen weken niet met hun ruwe stenen muren. Alleen een voortdurend gerinkel van glas en een gekraak van hout wees erop dat de mensen ramen en deuren indrukten.

Vertrapte koffers, bundeltjes en korven gleden en tuimelden als misvormde wezens onder de voeten van de mensen de berg af in de richting van de haven. De verpakte spullen puilden eruit, raakten verward in de benen van de mensen, zodat de vluchtenden rokken, kant, kinderkleren en linten achter zich aan sleepten. Deze vreedzame voorwerpen maakten het schouwspel van de vlucht nog droeviger.

Boven alle toegangswegen tot de haven hing een afschuwelijk, ijzige stofwolk.

Officieren en soldaten werden door de menigte weggevaagd en van elkaar gescheiden; alleen de vilten capes van de Kaukasiërs doken hier en daar in het dichte gewoel op als zwarte klokken, maar ze waren op de vlucht zo lastig dat hun bezitters ze afgooiden. En dan leek het net of de capes vanzelf op onzichtbare golven wiegden en als zwarte tapijten naar beneden naar de haven gleden.

Langzaam helden de stoomschepen over onder de last van de mensen die zich aan de zijkanten hadden vastgeklampt en aan boord probeerden te klimmen. Matrozen en soldaten probeerden de menigte terug te dringen, maar ze werden onder de voet gelopen.

Met elke minuut nam het geweeklaag der mensen toe. Het ruisen van de branding tegen de pier, waardoor de rede werd afgesloten, was al niet meer te horen.

Toen klonken er ineens geweerschoten bij de loopplanken. Men wilde de menigte tot staan brengen maar de razernij werd er alleen maar groter door.

In de stad achter de waanzinnige menigte werd het stil en verlaten. De sovjettroepen hadden de stad blijkbaar nog niet bereikt. Als ze in de stad geweest waren, als er slechts een enkele ruiter was verschenen achter deze menigte of als er slechts een enkel schot was gelost, dan zou de waanzin geen grenzen meer gekend hebben.

De volgende dag hoorden we dat er rond deze tijd al verkenningspatrouilles van het sovjetleger de stad waren binnengedrongen, maar dat ze, geschokt door het afschuwelijke schouwspel van de vlucht, boven aan de toegangswegen naar de haven hadden halt gehouden en het vuur niet hadden geopend.

We zagen hoe de trossen doorgekapt werden en de stoomschepen van wal staken, zonder dat de loopplanken werden binnengehaald. De planken gleden weg en stortten met de mensen er nog op in zee. Het was onmogelijk om nog langer te blijven luisteren naar het geschreeuw, getier en gehuil van de mensen die achterbleven of gescheiden waren. De schepen voeren langzaam weg, uit de schoorstenen kwamen dikke rookwolken en de schroeven draaiden op voile toeren. Ineens stroomde de haven leeg. De achtergeblevenen stormden zijstraatjes in en verborgen zich in alle hoekjes van het haventerrein. Want over de wegen die bezaaid lagen met verscheurde dingen, reed een cavaleriepatrouille van het sovjetleger langzaam tussen de lijken van doodgedrukte mensen naar de haven.

Deze soldaten van het Rode Leger reden met gebogen hoofd, alsof ze diep nadachten, hielden halt bij de mensen die op de grond lagen, sprongen uit het zadel en bogen zich over hen heen.

Waarschijnlijk zochten ze naar overlevenden, maar die waren er niet meer.

De soldaten reden helemaal de pier op, hielden daar in en keken lang naar de stoomboten, die achter elkaar opstoomden naar open zee. Ze voeren langs de oude Voronts-vuurtoren, die al heel wat had beleefd en gezien. Het was stil. Alleen uit de stad drong een nauwelijks hoorbaar lied tot ons door:

Vijandelijke stormen razen door de lucht;
Dreigende wolken verduisteren het licht.
Ook al staan ons leed en dood te wachten,
Tegen de vijand roept ons onze plicht.

Boven de brug van een van de schepen schoot een stoomstraal omhoog naar de grijze lucht; er huilde een sirene met een laag, bevend geluid. Alle andere stoomschepen namen dit signaal meteen op verschillende toon over. Het waren afscheids- en doodssirenes.

Ze klonken als lijkbeden voor de mensen die hun vaderland vaarwel zeiden, die afstand deden van hun volk, van de Russische velden en wouden, van de lente en winter, van leed en vreugde van het volk, afzagen van heden en verleden, van het geniale licht van Poesjkin en Tolstoj, van de grote kinderliefde voor elke grasspriet, elke druppel water uit de schoot van onze ongekunstelde en prachtige aarde.

De ruiters stonden nog steeds onbeweeglijk aan het einde van de pier. De torpedoboot die de schepen begeleidde, vuurde twee schoten af. Twee nutteloze schrapnels ontploften met een lichte dreun boven de stad. Dat was een laatste afscheidsgroet aan de geboortegrond. De artillerie van de sovjets beantwoordde het vuur niet. De mensen stonden op de pieren, de boulevards, de steile hellingen boven de zee te kijken, hoe de zware rompen van de stoomboten zich verwijderden en in rook en nevel vervaagden. In dit zwijgen van de overwinnaars lag een zwaar verwijt.

Uit: Geert Mak & René van Stipriaan, Ooggetuigen van de wereldgeschiedenis in meer dan honderd reportages. Amsterdam, 1999. p. 188-191


 

terug