De bestorming van het Winterpaleis
26-27 oktober 1917
Door een Amerikaanse journalist
John Reed
Toen we in de kille nacht kwamen, was het hele voorplein van het Smolny in een enorm
park van af- en aanrijdende auto's veranderd. Boven het geluid ervan konden de traag op
elkaar volgende kanonschoten ver weg worden gehoord. Er stond een grote vrachtauto met
draaiende motor, die de wagen deed schudden. Mannen gooiden er pakken in, anderen met
geweren naast zich vingen ze op.
'Waar gaan jullie naar toe?' riep ik.
'De stad in - overal heen!' antwoordde een kleine arbeider grinnikend met een breed,
triomfantelijk gebaar.
We lieten onze passen zien. 'Kom maar mee!' zeiden zij uitnodigend. 'Maar er zal
waarschijnlijk geschoten worden...'
We klommen erop. Met een geknars werd in de eerste versnelling geschakeld, de grote
wagen schoot met een schok vooruit en we vielen allemaal achterover op degenen die juist
erop klommen. We passeerden het enorme vuur bij de binnenpoort en daarna het vuur bij de
buitenpoort, dat een rode gloed bracht op de gezichten van de arbeiders, die er met hun
geweren omheen hurkten. We reden met grote snelheid de Soevorovski Prospekt af van de ene
kant naar de andere zwenkend... Een man maakte een pak open en begon handenvol papier in
de lucht te werpen. We volgden zijn voorbeeld en vlogen door de donkere straat met een
achter ons aan dwarrelende staart witte papieren.
Late voorbijgangers bukten om ze op te rapen . De patrouilles bij de vuren op de hoeken
der straten renden met opgeheven armen ernaar toe om ze op te vangen. Zo nu en dan doemden
er gewapende mannen voor ons op die riepen 'Stoj!'-'Halt!' Zij richtten hun geweren, maar
onze chauffeur riep alleen iets onbegrijpelijks en we reden door... Ik pakte een exemplaar op [...]
Een man met een Mongools gezicht, die naast mij zat en gekleed was in een Kaukasische
cape van geitenvel, snauwde: 'Kijk uit! Hier schieten de provocateurs altijd vanuit de
ramen!'
Wij reden het Znamenski-plein op, dat er donker en bijna verlaten bij lag, vlogen om
Troebetskojs standbeeld heen en sloogen de brede Nevski in. Drie mannen met geweren in de
aanslag stonden naar de ramen te turen. Achter ons de drukke straat met rennende en
bukkende mensen. Wij konden het kanon niet meer horen en hoe dichter we bij het
Winterpaleis aan de rand van de stad kwamen, des te rustiger en verlatener waren de
straten. Het gebouw van de Stadsdoema was helder verlicht. Aan de overkant zagen we een
donkere menigte mensen en een rij matrozen, die ons woedend toeschreeuwden dat we moesten
stoppen. De auto stopte en we klommen eruit.
Het was een verbazingwekkend tafereel. Precies op de hoek van het Jekaterina-kanaal was
onder een booglamp een kordon gewapende matrozen over de Nevski getrokken, dat een menigte
in rijen van vier de weg blokkeerde. Het waren zo'n drie- tot vierhonderd mensen, mannen
in rok, elegant geklede vrouwen, officieren - alle mogelijke soorten mensen. Onder hen
zagen we vele gedelegeerden van het congresleiders van de mensjewiki en
sociaal-revolutionairen: Avksentjev, de magere, roodbaardige voorzitter van de
boerensovjets, Sarokin, Kerenskis woordvoerder,
Chintsjoek, Abramovitsj. Aan het
hoofd Schreider, burgemeester van Petrograd met zijn witte baard en Prokopovitsj, minister
van Voedselvoorziening in de voorlopige regering, die 's ochtends gearresteerd en weer
vrijgelaten was. Ik zag Malkin, verslaggever van de Russian Daily News.
'Ik ga sneuvelen in het Winterpaleis,' schreeuwde hij vrolijk. De optocht stond stil, maar
bij de kop was een heftige woordentwist te horen. Schreider en Prokopovitsj bulderden
tegen de potige matroos die het bevel scheen te voeren.
'We eisen doorgang!' schreeuwden zij. 'Deze kameraden komen van het Congres der
Sovjets! Kijk maar naar hun kaarten! We gaan naar het Winterpaleis!'
De matroos stond kennelijk voor een moeilijk geval. Hij krabde met een enorme hand op
zijn hoofd en fronste zijn voorhoofd. 'Ik heb orders van het Comité dat ik niemand naar
het Winterpaleis mag laten gaan,' gromde hij. 'Maar ik zal een kameraad sturen om het
Smolny op te bellen...'
'Wij staan erop dat wij worden doorgelaten! We zijn ongewapend! We zullen doorlopen, of
je het toestaat of niet!' schreeuwde de oude Schreider heel erg opgewonden.
'Ik heb orders...' herhaalde de matroos nors.
'Schiet dan maar op ons, als jullie dat willen! We willen passeren! Voorwaarts,' werd
er van alle kanten geroepen. 'We zijn bereid om te sterven als jij het hart hebt om op
Russen en kameraden te schieten! We ontbloten onze borst voor jullie geweren!'
'Nee,' zei de matroos met een halsstarrige blik. 'Ik kan u niet laten passeren.'
'Wat gaan jullie doen als we doorlopen? Schieten?'
'Nee, ik zal niet op mensen schieten die geen geweren hebben. We willen niet op
ongewapende Russen schieten...'
'We zullen doorlopen! Wat kunnen jullie doen?'
'We zullen iets doen!' antwoordde de matroos blijkbaar verlegen. 'We kunnen u niet
laten passeren. Maar we zullen iets doen.'
'Wat zullen jullie dan doen? Wat zullen jullie dan doen?'
Er kwam nog een matroos bij, die erg kwaad was.'We zullen u een pak slaag geven!'
schreeuwde hij energiek. 'En zo nodig zullen we op u schieten. Ga naar huis en laat ons
met rust!' Hierop volgde een enorme uitbarsting van woede en haat. Prokopovitsj was op een
soort kist geklommen en terwijl hij met zijn paraplu zwaaide, sprak hij. 'Kameraden en
burgers!' zei hij. Er wordt geweld tegen ons gebruikt! We kunnen niet toelaten dat er
onschuldig bloed aan de handen van deze onwetende mensen zal kleven! Het is beneden onze
waardigheid om hier op straat door wisselwachters te worden doodgeschoten. (Wat hij
bedoelde met 'wisselwachters' heb ik nooit kunnen ontdekken.) 'Laat ons naar de Stadsdoema
terugkeren en spreken over de beste middelen om het land en de revolutie te redden!'
Waarop in waardige stilte de optocht omkeerde en de Nevski op liep, nog steeds in rijen
van vier. Gebruikmakend van de verwarring slipten we door de bewaking heen en sloegen de
richting van het Winterpaleis in. Hier was het volkomen donker en er bewoog niets anders
dan de streng op hun hoede zijnde posten van soldaten en rode gardisten. Voor de
Kazan-kathedraal lag een drieduims veldkanon midden op straat. Het was opzij geschoven
door het teruglopen na het laatste schot over de daken. Bij iedere ingang stonden soldaten
luid te praten en naar de Politiebrug te staren. Ik hoorde een stem zeggen: 'Best
mogelijk, dat we verkeerd hebben gedaan...' Op de hoeken hielden patrouilles alle
voorbijgangers aan. De samenstelling van deze patrouilles was interessant, want het bevel
over de geregelde troepen voerde onveranderlijk een rode gardist... Het schieten had
opgehouden.
Juist toen we op de Morskaja kwamen, riep iemand: 'De jonkers hebben bericht gestuurd
dat zij ons willen laten gaan om hen eruit te laten!' Stemmen begonnen bevelen te geven en
in de dichte duisternis zagen we hoe een donkere massa voorwaarts bewoog. In de stilte was
alleen het geschuifel van voeten en het gekletter van de wapens te horen. Wij sloten ons
bij de eerste rijen aan. Als een zwarte rivier, die de hele straat in beslag nam, zonder
gezang of gejuich, stroomden we door de Rode Poort, waar de man vlak voor me zachtjes zei:
'Uitkijken, kameraden! Vertrouw hen niet! Ze gaan beslist schieten!' Op open terrein
begonnen we te rennen, terwijl we ons zo laag mogelijk bukten en dicht bij elkaar bleven.
Plotseling bleven we achter het voetstuk van de Alexanderzuil staan.
'Hoeveel van jullie mensen hebben ze gedood?' vroeg ik.
'Ik weet het niet. Een stuk of tien...'
Na een paar minuten met een paar honderd man opeengedrongen te hebben gestaan scheen
het leger zijn zelfvertrouwen herwonnen te hebben en begon het plotseling zonder enig
bevel voorwaarts te gaan. In het licht dat uit alle ramen van het Winterpaleis stroomde,
kon ik nu zien dat de eerste twee- of driehonderd mannen rode gardisten waren, met slechts
hier en daar enkele soldaten. We klommen over de barricade van kachelhout en sprongen weer
omlaag. We lieten een triomfantelijk geschreeuw horen toen we struikelden over een hoop
geweren die door de jonkers, die daar hadden gestaan, waren weggeworpen. Aan beide kanten
van de hoofdpoort stonden de deuren wijdopen, het licht stroomde naar buiten en uit het
enorme gebouw kwam geen enkel geluid.
Meegesleept door de onstuimige mensengolf schoten we de rechteringang in, die toegang
gaf tot een grote, lege, gewelfde ruimte, de kelder van de oostelijke vleugel, waarop een
doolhof van gangen en trappen uitkwam. Er stond een aantal geweldige pakkisten en hierop
vielen de rode gardisten en soldaten woedend aan. Ze beukten ze met de kolven van hun
geweren open en trokken er tapijten, gordijnen, linnengoed, porselein, borden en glaswerk
uit... Een man stapte heen en weer met een bronzen klok op zijn schouder; een ander vond
een bos struisvogelveren, die hij in zijn muts stak.
De plundering was nog maar net begonnen, toen iemand riep: 'Kameraden. Neem niets weg!
Dit is eigendom van het volk!' Onmiddellijk riepen wel twintig stemmen: 'Stop! Alles
terugleggen! Niets nemen! Eigendom van het volk!' Heel wat handen trokken de plunderaars
weg. Damast en tapijten werden uit de armen van degenen die ze vasthielden gerukt. Twee
mannen brachten de bronzen klok terug. [...]
Twee rode gardisten, een soldaat en een officier, stonden met revolvers in hun handen.
Een andere soldaat zat aan een tafel achter hen met pen en papier. Van ver en dichtbij
hoorde men roepen: 'Allemaal eruit! Allemaal eruit!' en het leger begon door de deur te
stromen, terwijl men duwde, vermaande en argumenteerde. Iedereen werd door een comité,
dat zichzelf had benoemd, gegrepen en gefouilleerd. Alles wat niet werkelijk zijn eigendom
was, werd weggenomen; de man aan tafel noteerde het op zijn papier en het werd naar een
kleine kamer gebracht. Op die manier werd het meest verbazingwekkende assortiment
voorwerpen in beslag genomen: beeldjes, inktpotten, beddenspreien, die waren geborduurd
met het keizerlijke monogram, kandelaars, een klein olieverfschilderij, vloeiblokken,
zwaarden met gouden handvat, stukken zeep, alle mogelijke kledingstukken, lakens. Een rode
gardist droeg drie geweren, waarvan hij er twee van de jonkers had afgenomen; een ander
had vier mappen vol met geschreven documenten. De schuldigen gaven het nors over of
zeurden als kinderen.
|