Hongersnood in de Sovjet-UnieDe verscherpte maatregelen die Stalin sinds 1929 had uitgevaardigd voor de herstructurering van de landbouw leidden in de winter van 1932/33 tot een verschrikkelijke hongersnood. Stalin eiste namelijk bijna de helft van de graanopbrengsten op voor de staat, hoewel die opbrengsten door de gedwongen collectivisatie al drastisch verminderd waren. Voor de boeren bleef heel weinig over. Daarbij trokken er door het hele land rekwisitiecommando’s van communistische activisten om op brute wijze verstopte voorraden te vorderen. De hongersnood was zo hevig dat soms zelfs werd overgegaan tot kannibalisme: kinderen en vreemdelingen werden gedood en door de wanhopige bevolking opgegeten. Ongeveer tien miljoen mensen verhongerden tijdens deze winter. Het was de ergste ramp in een lange reeks van jaren van armoede, enkel en alleen te wijten aan de politiek van Stalin. Want graan was er genoeg, het verrotte voor een deel in de streng bewaakte depots van de staat of het werd geëxporteerd (1932: 2 miljoen ton, 1933: 1,7 miljoen ton) om aan deviezen voor de industrialisatie te komen. Maar het was een misdaad om over de hongersnood te praten. Wie dat wel deed riskeerde een straf van drie tot vijf jaar in een werkkamp. De kranten stonden vol met foto’s van weldoorvoede, lachende kinderen, terwijl op straat levende skeletten rondzwierven. Hulp van andere Europese staten en organisaties werd geweigerd, omdat de Sovjet-Russische regering ontkende dat er hongersnood heerste. Reeds in de tijd van de burgeroorlog na de Russische revolutie leed de bevolking bijna voortdurend honger. Er wordt geschat dat tussen 1918 en 1922 al ongeveer elf miljoen mensen door honger en de burgeroorlog om het leven kwamen. Het stalinistische tijdperk was in 1924 wreed begonnen met grootscheepse terreur tegen de bevolking en met gewelddadige maatschappelijke omwentelingen. Met vijfjarenplannen en de oprichting van grote collectieve agrarische bedrijven (kolchozen) op het platteland, moest geprobeerd worden om de staat een gezonde economische basis te geven. Tegelijkertijd werden de arbeiders op het platteland, die steeds vaker door machines vervangen werden, gedwongen om naar de nieuwe industriecentra te trekken. In 1929 werden de welgestelde herenboeren (koelakken) tot staatsvijanden uitgeroepen en met honderdduizenden in werkkampen geďnterneerd. Hun landgoederen werden gecollectiviseerd. Veel boeren slachtten uit protest hun vee en verbrandden hun oogst. Daardoor was vooral de voedselvoorziening in de industriecentra niet meer gegarandeerd, wat de verschrikkelijke hongersnood in de winter 1932/33 bevorderde. De Russische schrijver Boris Pasternak, die door het land reisde om materiaal over de collectivisatie te verzamelen, was verbijsterd: "Wat ik zag kon niet in woorden uitgedrukt worden... De ellende was zo onmenselijk, zo onvoorstelbaar dat het bijna leek alsof het abstract was en de grenzen van het bewustzijn liet exploderen." Uit: Retrospect. De geschiedenis van de 20e eeuw. |