Non-ferro metaalwinning in de Kolyma

Een donker gat in de flank van een kale berg stelde meestal de ingang tot de mijn voor. De exploitatie vond op verschillende dieptes plaats, sommige gevangenen werkten in dagbouw, anderen 2500 tot 3000 meter ondergronds. De mijngalerijen waren zo smal dat twee mannen nauwelijks naast elkaar konden lopen, en een middelgrote man moest steeds bukken om zijn hoofd niet te stoten. De ertsgangen waren op sommige plekken zo laag, dat we op handen en voeten moesten kruipen. Tot eind 1950, toen de Humphrey's veiligheidslamp werd ingevoerd, moesten de gevangenen hun eigen lichtbron meenemen. Die bestond uit een roestige dood met een stuk draad in een of ander soort vet. Dat gaf natuurlijk slecht licht en de tocht blies het vaak uit. Wanneer de open vlam met gas in aanraking kwam, dat uit spleten en scheuren uit de galerijen stroomde, veroorzaakte dat vaak ernstige ontploffingen. 
De peilers, waarmee de ertsgangen gestut werden, werden vaak door de gevangenen in stukken gehakt en bij duisternis naar de barakken meegenomen als brandhout. Tot diep in de jaren vijftig bezaten de gevangenen niets anders aan gereedschap dan een houweel en een bijl en zij konden zich vanwege de zware ketens aan hun benen nauwelijks bewegen. Het gehouwen materiaal laadde men op een mijnwagen die driekwart ton wogen en die met de hand naar de uitgang van de groeve werden getrokken, waar andere gevangenen deze overnamen en het ertshoudende gesteente van de ertslose stenen scheidden.
De gevangenen die met de primitieve liften de groeven ingingen, bevonden zich in vreselijke gevaar, want de oude, verroeste kabels braken meer dan eens onder de mensenlast. 

in: Alexander Fischer & Adolf Karger, Politische Weltkunde II. Themen zur Geschichte, geographie und Politik. Die Sowjetunion. Stuttgart, 1985, p.188-189


terug