Eleanor Lipper, Eleven years in Soviet Prison Camps, 1951

De hoeveelheid brood in alle sovjet kampen wordt bepaald door de hoeveelheid werk dat de gevangenen verzetten. ... iemand die niet gewend is aan lichamelijk werk ... geraakt als snel in een vicieuze cirkel. Omdat hij niet toekomt aan zijn volledig quotum arbeid, ontvangt hij niet het volledige rantsoen aan brood: zijn ondervoede lichaam ... krijgt steeds minder en minder brood, en is op het laatst zo verzwakt dat alleen nog stokslagen hem kunnen dwingen zich van het kamp naar de goudmijn te slepen.
Als hij de mijnschacht bereikt ..., is hij te zwak om zich te verweren tegen een misdadiger die hem in zijn gezicht slaat en hem zijn dagelijkse broodrantsoen afpakt. Hij gebruikt zijn laatste krachten om  naar een achteraf hoekje te kruipen, waar noch het gevloek van de wakers noch het eeuwige geschreeuw van 'Davai, Davai' (opschieten, opschieten) tot hem doordringen. Slechts de beangstigende kou weet hem te vinden en schenkt hem genadig zijn enige wens: vrede, slaap, de dood.


terug