Laatste dagen van Slag om Stalingrad.
28 januari - 1 februari 1943. Door de Russische journalist Roman
Karman.
De stad schudde op het gedreun van het artillerievuur van kanonnen van
allerlei kaliber. Er ontwikkelde zich een heftige strijd in een wijk.
Onze troepen hadden twee parken en het "grote plein volledig in
bezit genomen. In die straten waarin kleine groepjes Duitsers sporadisch
tegenstand boden, was men bezig met het opruimen van verzetshaarden
In de bevrijde delen van de stad waren de bewoners direct begonnen het
aanzicht te verbeteren. Ik zag vrouwen in de ruïnes van hun huizen
graven. Ik kon mijn ogen nauwelijks geloven toen ik in een van de straten
die bezaaid lagen met dode Duitsers, een kind zag - een meisje van een
jaar of zeven. Ze was bezig haar moeder te helpen hun bezittingen op een
klein sleetje voort te slepen. De arbeiders van de fabrieken in Stalingrad
die in de donkerste dagen als vrijwilligers de wapens opnamen om hun
geboortestad te verdedigen, zullen binnen enkele dagen met de herbouw van
hun werkplaatsen beginner.
Terwijl er in de stad nog steeds wordt gevochten, worden spoorlijnen,
knooppunten en stations in zeer hoog tempo hersteld. Spoedig, heel
spoedig, zullen de militairen Stalingrad vaarwel zeggen. Ze zijn op andere
fronten nodig.
Ik zag iets heel bemoedigends: een groep luchtmachtsoldaten, die hier
met hun werk klaar was, was de stad aan het verlaten... Ze vertrokken van
hun luchthavens aan de stadsgrenzen, tientallen vliegtuigen vlogen over de
stad in westelijke richting. De laatste groep duikbommenwerpers formeerde
aan de hemel een vijfpuntige ster. De machines vlogen over de binnenstad
en vulden de lucht met het gebrul van hun machtige motoren.
In de straten werd zelfs nu nog gevochten. Straat voor straat, wijk
voor wijk werd ons Stalingrad door het Rode Leger van de laatste Duitsers
bevrijd...
In een sector die door troepen onder bevel van generaal Tolbukhin was
bezet, besloot een groep Duitse officieren tot de overgave. In een uniform
dat schitterde onder het goud van de onderscheidingen, liep een
Hitleriaanse kolonel langzaam over de resten van kapotgeschoten huizen,
over de lijken van andere Duitsers heen stappend. Na hem kwamen een paar
luitenant-kolonels, majoors, kapiteins en luitenants, en daarachter een
range colonne soldaten, een chaotische optocht van bijna een halve
kilometer lang, van soldaten die op bevroren voeten voortstrompelden.
Toen een Duitse kolonel te horen kreeg waar de frontlinie op dit moment
lag, sperde hij zijn ogen wijdopen. Binnen de omsingeling hadden ze geen
idee van de situatie aan het front. Bewijs hiervan is dat een klein Duits
detachement dat voorgaf krijgsgevangen te zijn en door eigen kameraden in
uniformen van het Rode Leger werd ‘geëscorteerd’, de stad probeerde
uit te komen teneinde zich bij hun legeronderdeel te voegen in de buurt
van Kala!
Colonnes van onze mannen lopen vermoeid in ganzenmars naar de plekken
waar ze salvo's van geweervuur of het geratel van pistoolmitrallleurs
horen, en waar de laatste verzetshaarden van de omsingelde Duitse troepen
worden opgeruimd. 'Maak er snel een eind aan!' is het algemene gevoel dat
zich met het verstrijken van de tijd steeds meer meester maakt van onze
soldaten en commandanten. Maak er een eind aan! Bevrijd de stad!
Het eind is nabij. De laatste haarden van koppig verzet verzwakken het
geschut breekt de verdedigingslinies. Hier en daar sterft het geweervuur
weg; een stok met daaraan een vuile handdoek wordt door een gat inde muur
naar buiten gestoken en een stelletje Duitsers druppelt naar buiten, onder
de vlag van hun capitulatie. Buiten de stad rijgen de colonnes gevangenen
zich kilometer na kilometer aaneen; het zijn er tienduizenden.
Onze troepen trekker de strik rond de omsingelde Duitse strijdkrachten
steeds strakker aan. Sovjetvliegtuigen bombarderen onophoudelijk de
vijand, die zich staande houdt in het centrum van de stad. Dit
bombardement begint zelfs gevaarlijk te worden. De Duitse eilanden van
verzet zijn zo klein geworden dat de bommen gemakkelijk op onze eigen
manschappen kunnen neerkomen. [...]
Op 29 januari kon je met een auto al in heel wat straten van de
binnenstad van Stalingrad vooruitkomen. Soms moest je uitstappen en je een
weg banen door de ruïnes van de huizen, waar je veilig was voor de
uitbarstingen van mitrailleurvuur. Als je zo door de straten en over de
pleinen van deze grootse en prachtige stad loopt, die door Hitler is
verwoest en die weer van de grond af moet worden opgebouwd, den krijg je
de neiging je hoofd te ontbloten bij het zien van deze edele ruïnes,
waarvan iedere steen, ieder onderdeel is bevlekt met het bloed van onze
strijders en getuigt van de glorie van het sovjetvolk. De Duitse strategen
hadden in hun precisie met alles rekening gehouden. Maar in hun
veelzijdige militaire terminologie hadden ze een woord en zijn betekenis
vergeten: ze vergaten het woord 'Rusland', en gingen de dood tegemoet te
midden van de ruïnes van de stad die het symbool van de koppige kracht
van ons land is geworden.
Op de ochtend van 30 januari 1943 hebben alle legeronderdelen die
overaI vandaan optrokken naar het centrum van Stalingrad, de krachten ten
slotte gebundeld. De Duitse troepen waren eindelijk verpletterd.
Alleen kleine groepjes en individuele scherpschutters met
pistoolmitrailleurs vuurden nog schoten af uit de ruïnes. Patrouilles
doorkruisten de binnenstad om de Duitse moordenaars weg te vagen.
Luitenant-generaal Sanne, bevelvoerder van de 100ste Lichte Infanterie
Divisie, werd ingesloten en gevangengenomen. De Duitse soldaten die zich
hadden overgegeven waren in de straten bezig hun geweren,
pistoolmitrallleurs en machinegeweren op te stapelen, toen plotseling een
formatie Duitse transportvliegtuigen verscheen die met grote snelheid over
de stad vloog. Ze lieten parachutes neerkomen met ladingen eten. Onze
mannen maakten de pakketten open en waren dolblij met de worsten die voor
veldmaarschalk Von Paulus bestemd waren.
Onze patrouilles kamden de stad uit en in korte confrontaties werden de
laatste Duitse verzetshaarden gedoofd. Mitrailleurvuur en geweervuur
gingen de hele nacht door, maar tegen de ochtend stierf het geluid weg...
Vandaag, 1 februari, is het schieten in het centrum van de stad geheel
en al opgehouden. Maar om negen uur in de ochtend werd vanuit de
noordelijke buitenwijken het gerommel van tientallen geweren gehoord. Daar
plegen de omsingelde Duitsers nog verzet, maar hun dagen zijn geteld.
Nog een of twee dagen en deze frontlinie zal ver naar achteren zijn
verschoven. Een stafofficier, dodelijk vermoeid door vele nachten zonder
slaap, kijkt in zijn gat in de grond van zijn kaarten omhoog, gooit zijn
rode potlood neer en zegt met een glimlach:'Ja, we zitten nu in de
achterhoede! We moeten de zaak hier afmaken en dan zullen we snel achter
het front aan moeten. Dat wordt een hele afstand, en we moeten vlug zijn,
willen we ze inhalen!'
uit: Mak, G. & R. van Stipriaan, Ooggetuigen van de
wereldgeschiedenis in meer dan honderd reportages. Amsterdam 1999. p.
232-235
 |