Indien wij onze eigen kracht kennen, zullen we beter weten wat wij met enige hoop
op succes kunnen ondernemen, en als wij de krachten van onze eigen geest goed
hebben gemeten, en een zekere schatting gemaakt van wat wij er van kunnen verwachten, dan
zullen wij niet geneigd zijn om stil te zitten en onze gedachten niet aan het werk te
zetten, omdat wij er aan vertwijfelen, of wij ook maar iets kunnen weten; of,
anderzijds, alles in twijfel trekken en alle kennis afwijzen, omdat sommige dingen
niet begrepen kunnen worden. Het is voor de zeeman van groot belang, dat hij de lengte van
zijn peillood kent, ook al kan hij er niet alle diepten van de oceaan mee meten. Het is
goed dat hij weet, dat het lang genoeg is om de bodem te bereiken op de plaatsen die voor
het bestek van zijn reis van belang zijn, en die hem ervoor behoeden, op zandbanken vast
te lopen die hem te gronde kunnen richten. Het is niet onze zaak, alle dingen te weten,
maar wel die dingen die ons leven aangaan. Als wij in staat zijn die regels te vinden,
volgens welke een redelijk wezen, gesteld in die toestand, waarin de mens in deze
wereld is geplaatst, zijn meningen en zijn van deze meningen afhangende handelingen kan
en behoort te bepalen, dan behoeven wij niet bezorgd te zijn, dat sommige zaken zich
aan onze kennis onttrekken.
Uit: Janssen, E. & T. Putman, De Verlichting. Den Bosch, 1968, p. 14