De politiek van Kennedy (1917-1973)

Ondanks al zijn jeugdig enthousiasme was de positie van Kennedy in de buitenlandse politiek niet erg stabiel. In de verkiezingscampagne tegen Richard Nixon was hem al enkele malen verweten een te slappe houding tegenover het communisme aan te nemen. Daar kwam nog eens bovenop de mislukking van de Varkensbaai en de confrontatie met Moskou over Berlijn. Voor hem was Vietnam een plek waar hij zijn geloofwaardigheid in de nationale politiek op internationaal niveau zou kunnen bewijzen.

Hij weet in de eerste plaats Laos tot een neutraal en onafhankelijke staat te laten erkennen door de grootmachten, maar daar sneed hij zich zelf mee in de vingers zoals uit het bovenstaande is gebleken.

Eenzelfde neutraliteit voor Zuid-Vietnam verwierp hij, ook al was Hanoi bereid hiermee akkoord te gaan. Maar op dat moment stond Vietnam nog niet zo hoog op de politieke agenda of zoals zijn broer Robert Kennedy het formuleerde: "We've got twenty Vietnams a day to handle." Zijn minister van Buitenlandse Zaken Dean Rusk en minister van Defensie Robert McNamara waren beiden voorstanders van een harde opstelling tegenover Noord-Vietnam, terwijl ook de Senaatscommissie voor BZ onder leiding van J. William Fulbright voor een grote betrokkenheid bij Vietnam was. Kennedy ontkwam er uiteindelijk niet aan om de aantallen adviseurs in Vietnam te vergroten, zelfs boven de hoeveelheid die toegestaan was in Genève. In 1961 was Diem eerst nog aarzelend tegen een inzet van Amerikaanse gevechtstroepen, maar nadat in oktober de Vietcong aanvallen in Zuid-Vietnam onderneemt gaat hij toch akkoord. Het is de speciale adviseur van Kennedy die hem aanraadt om 8000 man in te zetten als een soort eerste voorhoede. Deze zou zich vooral moeten bezighouden met het uitvoeren van bombardementen. De groeiende betrokkenheid van de V.S. bleef voor het Amerikaanse publiek geheim. Naar mate de oorlogsinzet groter werd bleken de VS steeds meer te gaan lijden aan een vorm van bijziendheid "can-doism" , de overtuiging dat Amerikanen altijd overal alles kunnen bereiken. Een fraai voorbeeld is de manier waarop de Amerikanen dachten te kunnen bijdragen aan "nation-building" . In 1960 b­v. liet men de uitslagen zien van de presidents-verkiezingen zoals deze uit Amerika werden doorgeseind. Elke nieuwe uitslag werd voor een raam van de ambassade getoond. Een grote menigte verzamelde zich. Men dacht op de ambassade een aardig lesje praktische democratie te geven. Helaas, de menigte had zich slechts verzameld om te kunnen gokken op de getallen die telkens in het venster verschenen.

In 1962 werd het "strategic hamlet" programma gelanceerd. Voor McNamara een "succes" : in september 1962 was 33,39% van de bevolking in een dergelijk dorp ondergebracht.

In hetzelfde jaar brachten de networks al reportages met acties waarbij Amerikaanse soldaten en piloten betrokken waren. Toch had het publiek niet echt door wat dit betekende. Toen Kennedy op een persconferentie rechtstreeks gevraagd werd of US-troops in Vietnam vochten, kon hij nog steeds met een "No" volstaan.

De helicopterondersteuning bleek in eerste instantie redelijk succesvol tegen de Vietcong, maar deze bleek zich al snel aan de strijdtactiek te hebben aangepast. De Amerikanen hadden het idee dat de oorlog te winnen was en dat zij bovendien een beschavende taak hadden. Dit leidde geregeld tot het onderschatten van de militaire capaciteiten van de Vietcong, zoals bleek bij een kleine veldslag bij Ap Bac, waar vijf heli's neergehaald werden. Het resultaat van Ap Bac leidde niet tot het inzicht dat de Vietcong een formidabele tegenstander was, maar eerder tot een groeiende spanning tussen de Amerikaanse regering en de media. Kennedy overwoog niet het instellen van de censuur. Dit zou namelijk hebben ingehouden dat zij moesten erkennen dat de VS bezig was met een echte oorlog, waarvoor geen oorlogsverklaring was afgegeven. In plaats van censuur hoopten zij dat de journalistiek een positief beeld zou geven van de strijd. De uit Irak bekende journalist Peter Arnett stelde ooit eens een pijnlijke vraag aan admiraal Felt. Felt kon alleen maar zich er uit redden door hem toe te voegen: "Get on the team." Iets waarop hij dertig jaar heeft moeten wachten voordat Arnett dit keurig deed in Irak...

De Amerikanen koesterden het idee dat een grotere investering in materiaal ook moest leiden tot een groter opbrengst in de vorm van een of ander soort overwinning. McNamara en Felt waren van mening dat een overwinning binnen drie jaar tot de goede mogelijkheden moest behoren. Kennedy was iets voorzichtiger, maar ook hij voorspelde licht in de donkere tunnel. Kennedy was niet van plan zo zei hij tegen een van zijn assistenten om in Vietnam te blijven desnoods met het verwijt op zijn en dat hij een "Goddamned communist appeaser" zou worden genoemd. Op het moment dat hij op 22 november 1963 vermoord wordt, is het al geheel van de baan: Lyndon B. Johnson is niet van plan zich uit Vietnam terug te trekken. Twee weken voor de moord in Dallas was Diem uit de weg geruimd door zijn generaals. In de praktijk bleek daar echter niets van. In plaats van de betrokkenheid af te bouwen nam juist de betrokkenheid van de VS toe: in 1964 nam het aantal troepen van de VS toe tot een strekte van 23.000 man. In 1962 hadden de VS in zeven jaar al 2 miljard dollar besteed.


terug