De Pentagon Papers

De mate van persvrijheid tegenover de overheid komt misschien wel het beste tot uiting in het geval van de zogenaamde Pentagon Papers. Een dergelijk extreem geval toont namelijk aan hoe ruim de grens van de persvrijheid in de VS wordt gelegd. De documenten betroffen uiterst geheime stukken die in de jaren 1964 tot 1971 door het ministerie van defensie waren verzameld over de oorlog in Vietnam. Ze bevatten onder andere uiterst pijnlijke onthullingen over onoprechtheden van president Johnson. Een vroegere employé van het Pentagon dr. Daniel Ellsberg, bood ze 'The New York Times' aan, die na grondig onderzoek van de betrouwbaarheid besloot ze te publiceren. De regering probeerde deze publikatie stop te zetten, maar slaagde daarin niet. Wel werd Ellsberg vervolgd wegens diefstal, spionage en landverraad. De opvattingen van de rechterlijke macht met betrekking tot de vrijheid van de pers spreken uit wat rechter Murray Gurfein in New York zei toen hij de waarde van de vrijheid van drukpers afmat tegen het hoge belang van staatsveiligheid in de motivering van zijn vonnis, waarin hij het verzoek van het Amerikaanse ministerie van justitie tot afkondiging van een publikatieverbod van de Pentagon Papers verwierp: "De veiligheid (van de staat) ligt ook in de waarde van onze vrije instellingen. Degenen die aan de macht zijn moeten het bestaan aanvaarden van een vitterige pers, een alomtegenwoordige pers om de nog grotere waarden in stand te houden van vrijheid van meningsuiting en het recht van het volk om te weten [...]" (Uit: Onze jaren).

terug